Articulatiestoornissen - avanti

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu

Articulatiestoornissen

LOGOPEDIE

Articulatiestoornissen en afwijkende mondgewoonten.


Articulatiestoornissen bij kinderen.

Bij sommige kinderen kan de spraakontwikkeling vertraagd op gang komen. Het kind is bijvoorbeeld moeilijk te verstaan doordat sommige klanken nog niet, of foutief uitgesproken worden.
We kunnen een onderscheid maken tussen 2 vormen van articulatiestoornissen: fonemische/ fonologische articulatiefouten en fonetische articulatiefouten.
Bij fonologische articulatiefouten is er sprake van vereenvoudigingsprocessen. Het kind vereenvoudigt zijn spraak door delen van woorden weg te laten, door klanken te vervangen door andere klanken, en zo meer. Dit is aanvankelijk een deel van de normale spraakontwikkeling, dat tijdens de taalverwerving langzamerhand verdwijnt. Indien het kind dit echter te langdurig blijft gebruiken (na de leeftijd van 3jaar en meer), spreken we van een fonologische articulatiestoornis.

Bij fonemische/ fonetische articulatiefouten spreken we eerder van motorische articulatieproblemen. Het kind vormt de spraakklanken foutief, of slaagt er niet in de klank correct te produceren. Voorbeelden hiervan zijn lispelen, foutief of niet kunnen produceren van een tongpunt-r of huig-r, een –sch- vervangen door een -sj-, en zo meer…

Een normale ontwikkeling van de articulatie kunnen we als volgt voorstellen:

  • Geboorte tot 6 weken: schreien.

  • Van 6 weken tot ongeveer 5 maanden: geluidjes van genoegen of ongenoegen.

  • Tussen de 4 en 6 maanden: ‘vocaal spel’: het kind vind het leuk om klankjes te maken en ontdekt geluiden die hij kan maken, we horen nu verschillende klanken (klinkers en medeklinkers).

  • Tegen het einde van de 5e maand treed het fenomeen ‘marginaal brabbelen’ op: het kind maakt korte lettergrepen (baa, maa,…)

  • 6 maanden: ‘protoconversaties’: interactie in een aangezicht-tot-aangezicht context: betekenisvolle geluiden tussen moeder en kind.

  • 9 maanden: ‘van protoconversaties naar dialogen’: er is een wisselwerking in dialoog tussen moeder en kind. Geluiden zijn intentioneel (vb. het kind wil een voorwerp krijgen, het kan ongenoegen uiten, afwijzen en plezier aangeven).

  • 1 jaar: rond deze periode maakt het kind zijn 1e woordjes, deze kunnen nog vereenvoudigd zijn (vb kaa = kaas)

  • 1 jaar en 6 maanden – 2 jaar: het kind maakt zijn eerste tweewoorduitingen. Dit kan variëren van kind tot kind.

  • Tussen 2jaar en 3jaar evolueert de taal naar volledig verstaanbaar voor anderen, op ongeveer 3-jarige leeftijd. In deze periode verdwijnen ook alle vereenvoudigingen van de taal.

  • 5 jaar: het kind kan ongeveer alle klanken uitspreken.


Indien uw kind achter lijkt te staan op een normale ontwikkeling, kunt u raad vragen bij een logopediste. Deze zal dan, na een taal- en/of articulatieonderzoek bepalen of therapie noodzakelijk is.
Hierbij geeft de logopediste allerlei oefeningen om de juiste spraakklanken aan te leren op klank- woord- en zinsniveau, om dit tenslotte te automatiseren in de spontane spraak.
Soms zullen ook luisteroefeningen aan bod komen, om de verschillen tussen spraakklanken goed waar te leren nemen. Ook mondmotorische oefeningen komen aan bod, om een goede coördinatie van de articulatoren (tong, lippen,..) te bekomen.
Meer uitleg over een vertraagde of gestoorde taalontwikkeling vindt u terug onder ‘taalontwikkeling’.


Articulatiestoornissen/ -problemen bij volwassenen.

Ook volwassenen hebben soms nood aan logopedische begeleiding, wanneer een correcte articulatie een vereiste is in een opleiding of een beroep. (vb. Leerkrachten, logopedisten of journalisten in opleiding) of wanneer ze dit voor zichzelf nodig vinden. Ook bij volwassenen kan lispelen voorkomen. De logopediste kan met behulp van gerichte oefeningen een correct spraakgedrag aanleren.


Afwijkende mondgewoonten.

Onder afwijkende mondgewoonten verstaan we open mondgedrag (habitueel mondademen), afwijkend slikken, afwijkende tongplaatsing in rust, afwijkend lipgedrag, duimzuigen.

Bij habitueel mondademen zien we een gewoonte om in rust de lippen niet te sluiten. Er wordt dus door de mond geademd in plaats van door de neus. Dit heeft negatieve gevolgen: de mondspieren verslappen, de mond droogt uit… er is minder speeksel in de mond en het kind hoeft minder te slikken. Hierdoor wordt de buis van Eustachius, (die de neusholte met het oor verbindt), te weinig geopend. Dit kan oorontstekingen tot gevolg hebben.

Afwijkend slikken kan al dan niet samen voorkomen met afwijkend mondademen. De tong perst tegen de tanden, tijdens de slikbeweging. Dit heeft negatieve gevolgen op het gebit én de spraak: de tanden gaan scheef groeien en tijdens het spreken kan de tong tussen de tanden komen met een foutieve articulatie als gevolg.

Het kan voorkomen dat de tongplaatsing in rust foutief is. De tongpunt ligt dan tussen of tegen de tanden. Door een constante druk zullen de voorste tanden scheef groeien, met gevolgen zoals hierboven beschreven.
Ook duimzuigen is nefast voor de tanden. Indien een kind te lang blijft duimzuigen vormt ook het gehemelte zich foutief. Lippen verslappen door onvoldoende en foutieve mondsluiting.

Afwijkende mondgewoonten kunnen op verschillende leeftijden voorkomen.
Ook op oudere leeftijd kan men een foutief slikpatroon of tongplaatsing hebben.
Vaak is het raadzaam om dan zowel orthodont als logopedist te raadplegen.


Wanneer u zich aanmeldt bij de logopediste zal deze eerst een diepgaand onderzoek van het mondgedrag en de spraak uitvoeren.
Therapie van habitueel mondademen zal bestaan uit oefeningen voor lipsluiting en mondmotorische oefeningen om zo slappe spieren van de tong en lippen opnieuw te versterken. Verder kunnen ook oefeningen aan bod komen voor neusademhaling. Een correcte tongpositie zal geoefend worden in rust, tijdens het slikken en bij de articulatie. Duimzuigen kan best afgeleerd worden voordat de melktanden uitvallen.


Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu